Oude glorie: Batman
In dit artikel:
Mateja Kežman werd op 12 april 1979 geboren in Zemun, een buitenwijk van Belgrado. Als tiener maakte hij de oorlog in Joegoslavië en de NAVO-bombardementen op Belgrado mee. Zijn ervaringen, waaronder het vieren van zijn twintigste verjaardag in een schuilkelder, beïnvloedden zijn blijvende negatieve beeld van de Verenigde Staten.
Zijn vader, jarenlang doelman van FK Zemun, bracht hem op tienjarige leeftijd naar het trainingscomplex. Kežman ontwikkelde zich als spits en speelde aanvankelijk bij FK Zemun. Op zijn zeventiende verliet hij zijn ouderlijk huis om bij Radnički Pirot op het tweede niveau te voetballen. Via FK Loznica en Sartid Smederevo belandde hij in 1998 bij Partizan Belgrado, waarvoor hij in het seizoen 1999-2000 28 keer scoorde in 38 wedstrijden. Vooral zijn doelpunten in de derby tegen Rode Ster maakten hem bekend.
Na Euro 2000, waar hij als invaller na 37 seconden een rode kaart kreeg, haalde PSV hem naar Nederland. De club betaalde omgerekend ongeveer 14 miljoen euro, destijds een recordbedrag voor PSV. Zijn begin in Eindhoven was moeilijk: hij moest wennen aan een nieuwe cultuur, stond onder druk door zijn transfersom en kon door visumproblemen nauwelijks familie zien. Na zijn doelpunt en assist tegen Manchester United in de Champions League in september 2000 viel die druk grotendeels weg. PSV-fans gaven hem de bijnaam Batman; na de komst van Arjen Robben vormden zij het duo Batman en Robin.
Tussen 2000 en 2004 groeide Kežman uit tot een van de productiefste spitsen uit de geschiedenis van PSV. In 122 eredivisiewedstrijden maakte hij 105 doelpunten. Hij werd drie keer topscorer van de competitie, won twee landstitels en drie Johan Cruijff Schalen en werd in 2003 uitgeroepen tot beste speler van de Eredivisie. Europees presteerde hij minder constant, wat volgens hem mede kwam door het niveau en de beperkte kansen van het elftal. Ook kreeg hij tijdens zijn PSV-periode permanente politiebewaking nadat een ontvoeringsplan aan het licht was gekomen.
In 2004 vertrok Kežman voor ongeveer tien miljoen euro naar Chelsea, waar hij opnieuw met Robben samenspeelde. Door de komst van Didier Drogba en de keuze van José Mourinho voor één spits kreeg hij weinig speeltijd. Wel maakte hij het winnende doelpunt in de verlenging van de League Cup-finale tegen Liverpool en werd Chelsea kampioen van Engeland. Na één seizoen koos Kežman voor Atlético Madrid. Daar scoorde hij geregeld, maar de club verkocht hem vervolgens onder druk van financiële belangen aan Fenerbahçe. In Turkije kende hij twee succesvolle jaren, met een landstitel en een Turkse Super Cup.
Zijn periode bij Paris Saint-Germain verliep veel minder goed. Door een moeizame relatie met trainer Paul Le Guen en een gebrek aan ritme raakte zijn carrière volgens Kežman ernstig beschadigd. Een huurperiode bij Zenit Sint-Petersburg leverde in tien wedstrijden slechts twee doelpunten op. Nadat PSG zijn contract in 2010 ontbond, speelde hij nog in Hongkong bij South China en in Wit-Rusland bij BATE Borisov. Met BATE werd hij landskampioen en speelde hij nog tegen onder meer Barcelona en AC Milan. Op 26 januari 2012 beëindigde hij zijn loopbaan na een korte terugkeer bij South China.
Kežman won in vijf landen een landstitel en bezit daarnaast het twijfelachtige record van snelste rode kaart op een EK. Na zijn spelerscarrière werd hij voetbalmakelaar. In 2018 kwam hij in beeld vanwege de arrestatie van medewerker Dejan Veljkovic in het Belgische onderzoek naar witwassen, omkoping en matchfixing; Kežman werd onder voorwaarden vrijgelaten. Ondanks zijn latere omzwervingen beschouwt hij PSV als zijn tweede thuis en geldt hij in Eindhoven nog altijd als een van de beste spitsen uit de clubgeschiedenis.
Vandaag Inside: Samuel Welten geeft niet om luxe, Merel Ek: ‘Je hebt een huis op Bali én een Maserati!’